De oorlogsjaren van de familie Verheul op Sparta’s Kasteel

0
38

Pieter Verheul, de technisch begaafde linkshalf van Sparta, hield het na acht maanden in alle eenzaamheid in het fietsenhok niet meer uit. Hij negeerde de gevaren van de oorlog, verliet zijn onderduikadres en beende linea recta naar Het Kasteel.

Zoon en sportjournalist Leo: “Mijn moeder was woedend. Ze heeft maar één keer in haar leven een scheldwoord gebruikt. Dat was toen: ‘klootzak, hoe haal je het in je hoofd!'”. Ook in oorlogstijd bleek Verheuls liefde voor de voetbalclub van Spangen onvoorwaardelijk.

Houten tribune

De verbondenheid van de familie Verheul met Sparta gaat zelfs nog verder terug. Leo’s overgrootvader Leonardus Franciscus was rond 1916 de bouwer van een houten eretribune bij de club, die met het verstrijken van de jaren onverwoestbaar bleek.

“De inschatting was dat de tribune een beperkte houdbaarheid van zo’n vijftig jaar had. Maar hij heeft het tot de renovatie in 2000 volgehouden. Mede dankzij het carboleum-laagje dat mijn overgrootvader ieder jaar gratis aanbracht”, aldus Leo Verheul.

In de jaren dertig verdedigden de voetballende broers Pieter en Leo het rood en wit van Sparta. “Mijn vader was een mooie voetballer. Tweebenig, met een fluwelen trap.” Een sportieve hoogvlieger was Sparta in die jaren overigens niet. “Het was een middelmatige ploeg.”

Het bombardement op 14 mei 1940 veranderde alles. Rotterdam lag in puin, naar schatting tussen 650 en 900 mensen verloren het leven. Tienduizenden Rotterdammers raakten dakloos. Het Kasteel, de thuisbasis van Sparta, diende in die tijd als noodopvang van het Rode Kruis. In latere oorlogsjaren werd het stadion gebruikt voor voedseluitgifte.

Verheul: “In het Feyenoord-stadion was ook zo’n Rode Kruis-opvang. Maar de Duitsers gebruikten De Kuip volgens mij ook om mensen tijdens razzia’s samen te drijven en vast te zetten.”

Ook Sparta kreeg te maken met de eisen van de bezetter. Die wilde in 1941 de Joden zoveel mogelijk uitsluiten van het maatschappelijke leven. Bij Het Kasteel werd een groot bord opgehangen met de tekst: ‘verboden voor Joden’. Later klonk het verwijt aan Sparta dat de club wel heel nadrukkelijk meewerkte met de Duitsers.

“De administrateur van Sparta, de heer Wolff, overdreef een beetje. Hij maakte er echt gigantische borden van. Op een gegeven moment kwam een Joods lid binnen, die niets afwist van die borden. Die kreeg van Wolff te horen: ‘Hallo, kunt u niet lezen!’. Hij was dus fanatiek voor de Duitsers bezig. Daar schaam je je achteraf dood voor”, zegt Verheul.

“Maar dat was slechts één persoon. Het gebeurde overal. De mensen die heldhaftig waren en tegengas gaven, vormden echt uitzonderingen.”

Alleen bezig met overleven

Leo Verheul vroeg zijn vader pas decennia later wat hij vond van de wijze waarop Sparta omging met de Joodse leden. Pieter vertelde zijn zoon toen dat de spelers woedend waren om de borden, en dat erover werd gesproken in de kleedkamer. Maar het bleef bij verontwaardiging. Actie ondernemen deed niemand. De spelers, Pieter Verheul incluis, waren slechts met een ding bezig: overleven.

Het was uit angst voor razzia’s dat Pieter Verheul uiteindelijk besloot om onder te duiken in het fietsenhok, op een vals plafond van hout. Het werden acht lange maanden, die eindigden met de gevaarlijke voettocht naar Het Kasteel, enkele honderden meters verderop. “Hij was een voetballer, hij was gek op Sparta. Zijn zoontje was in 1944 geboren, en die had hij nog niet eens gezien. De drang naar Sparta was groter. Dat is eigenlijk bizar.”

Tribune als brandhout

Aangekomen bij Het Kasteel wachtte Verheul een ontluisterend beeld. Leo: “Het was net alsof een enorme rat aan de eretribune had geknaagd. Mensen die stierven van de kou zijn op een gegeven moment stukken hout uit de tribune gaan slopen om dat te gebruiken als brandhout.”

Na de oorlog werd de tribune van de familie Verheul weer hersteld om tot het jaar 2000 plaats te bieden aan Kasteelgasten. Leo hielp bij de renovatie actief mee aan de ontmanteling van het familiepronkstuk. Met een gemotoriseerde kettingzaag probeerde hij de vaste stoelen van de Verheul’s uit te zagen. Maar de tribune deed z’n naam onverwoestbaar te zijn, eer aan. “Het was een ongelooflijk gevecht. Er waren hele dikke balken. Het was een megaklus. Ik was gebroken, heb drie dagen spierpijn gehad.”

Bron: NOS

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

vier × een =