Poels brengt Nederland op uitzonderlijk aantal topklasseringen: ‘Dertig?!’

0
14

Het ging haast onopvallend voorbij, de zesde plaats van Wout Poels in de zondag afgesloten Vuelta. De Nederlander reed ook geen bijster opvallende ronde, maar aan zijn eindklassering kleeft wel een uniek feit: het was de dertigste topklassering voor een Nederlander in de afgelopen dertig grote rondes.

“Zó vaak in de toptien? Dat is indrukwekkend”, reageert oud-renner en NOS-analist Stef Clement.

In 2020 waren het Tom Dumoulin (zevende in de Tour), Wilco Kelderman (derde in de Giro) en eerdergenoemde Poels die met de besten meereden. Zij behoren tot een uniek achttal.

Robert Gesink, Steven Kruijswijk, Laurens ten Dam, Sam Oomen en Bauke Mollema – zij konden ook allemaal al eens met de besten mee. De oorzaak van de successen? Clement weet het antwoord. “Dat komt door Rabobank.”

Zeven van de acht doorliepen de opleiding bij de bankiersformatie. Clement reed er in 2004 en 2005. “We konden daar allemaal klimmen en tijdrijden. We werden daar ook op geselecteerd. Je moest beide kwaliteiten hebben, anders kwam je er niet eens binnen.”

Delahaije: ‘Dertig?!’

Louis Delahaije was veertien jaar lang trainer bij Rabobank, van 2004 tot en met 2018. Ook hij is verbaasd door het aantal. “Dertig? Ik wist niet dat het er zoveel waren.”

Van alle hierboven genoemde ronderenners heeft Delahaije alleen Poels niet actief begeleid. “Maar de andere zeven heb ik allemaal onder me gehad. Of ik dit succes toen had verwacht? Nou, van Gesink en Mollema zag je wel dat het grote talenten waren. Robert werd tweede in de Ronde van de Toekomst, Bauke won ‘m zelfs. En Wilco Kelderman won ook op jonge leeftijd al. Steven Kruijswijk was vooral gruwelijk sterk.”

Tourwinnaar

Dat deze groep ronderenners is komen bovendrijven, is bepaald geen toeval. Er is midden jaren negentig actief op gescout. “In 1996, bij het oprichten van Rabobank, was de insteek: er moet een nieuwe Nederlandse Tourwinnaar komen.”

De bankiersformatie richtte zich daarbij op alle leeftijden. Zo werden er dikkebandenraces georganiseerd om de jeugd op de fiets te krijgen. “Je moet eerst veel aanwas hebben, des te groter de kans is dat er grote talenten tussen zitten”, zegt Delahaije.

En vervolgens werden ze op juniorenleeftijd onderworpen aan de, onder renners nog altijd beruchte, ‘Ardennenproef’. “Talenten werden drie of vier dagen meegenomen naar België en daar werden ze op een fiets gezet. Ze moesten een keer kort een heuvel op, een keer lang een heuvel op en ze moesten een tijdrit afleggen. Daaruit moest blijken of ze het in zich hadden om een ronderenner te worden.”

Clement weet nog: “Er werd gedurende de eerste jaren vooral gekeken naar hartslag en vermogen. We deden veel inspanningstesten.”

Zo werd het kaf van het koren gescheiden. Wat er overbleef? “Ze zijn allemaal, op een enkeling na, ook prof geworden. En je ziet dat ze het later ook inderdaad moesten hebben van het rondewerk.”

Delahaije, nu bondscoach van de triatleten en begeleider van onder anderen Annemiek van Vleuten en Marianne Vos, gaat er nog altijd prat op dat: “Een goede ronderenner kweken iets is van de lange adem. Al wordt dat een beetje gelogenstraft nu, met jonge jongens als Tadej Pogacar die zo goed presteren dit jaar.”

“Maar je moet op vroege leeftijd beginnen. Je moet een tijdrithouding oefenen, trainingsblokken bergop doen, duurritten rijden. Je moet drie weken lang goed blijven herstellen. Je basisuithoudingsvermogen moet goed zijn.”

Delahaije zag door de jaren heen dat Kruijswijk en Dumoulin, niet direct de allergrootste talenten van hun lichting, dat door de jaren heen goed ontwikkelden. Met podiumplaatsen en een eindzege in de Giro tot gevolg.

“Het gezegde ‘wat goed is komt snel’ geldt niet altijd voor ronderenners. Dat zie je vooral bij Kruijswijk. Hij won als talent niet heel veel, maar bereikt nu wel het Tourpodium. En als ze een Tour een keer vier weken hadden laten duren, had hij er allang een gewonnen, dat weet ik zeker.”

‘Tom kan nog de Tour winnen’

“Ik verwachtte van geen van de jongens dat ze de Tour zouden winnen, overigens. Maar Tom kan dat nu wel. Hij kan de komende twee jaar nog steeds de Tour winnen.”

“En Wilco had misschien de Giro kunnen winnen. Al sprak ik hem laatst. Hij was erg blij met zijn prestatie, met zijn podiumplaats. Het was een bekroning voor al die jaren hard werken. En hij gaat nu naar een goede ploeg (Bora-Hansgrohe) waar goede coaches werken. Wie weet kan hij nog een stap zetten.”

De anderen kunnen ook nog even mee (“al heeft Robert een andere rol nu, maar Steven en Bauke kunnen nog twee jaar goed presteren”), maar wat kan de volgende generatie? Zit er iets achter?

“Sam behoort tot die generatie. Hij is 25 jaar. Maar wat dáár weer achter zit? Daar heb ik geen zicht op. Ik zag wel Thymen Arensman goed fietsen in de Vuelta. Hij is pas 20. En Ide Schelling, maar hij is al 22 geloof ik.”

Een kanttekening bij de prestaties is uiteraard dat toptienklasseringen knap zijn, maar dat de vlag niet direct uit hoeft. Het zijn geen overwinningen. Al benadrukt Clement wel dat “ze steeds belangrijker zijn geworden. Het levert punten op voor de wereldranglijst. Het vertegenwoordigt een bepaalde waarde, zowel voor renners als voor ploegen”.

“Ik zag Ide Schelling zich zaterdag helemaal leegrijden om de zevende plaats van zijn ploeggenoot te verdedigen, iets wat niet lukte overigens. Je kunt je daarbij wel de vraag stellen: is het wel de bedoeling van het spelletje om daarvoor te rijden?”

2001-2010: slechts vier keer

Daartegenover staat: het is ook niet niks. Delahaije kent nog de tijd waarin het lang speuren was naar Nederlanders in het algemeen klassement. In de periode 2001-2010 gebeurde het slechts vier keer (drie keer Gesink en een keer Michael Boogerd) dat een landgenoot bij de beste tien stond.

“In die periode kregen we ook wel veel kritiek. Want de opleidingsploeg zou niets voorstellen. Er werden immers geen successen geboekt. Dat had ook te maken met de tijd waarin er gereden werd, er was zogezegd veel aan de hand in het peloton. Daar kon je als jong talent moeilijk tegenop boksen.”

“Maar je kunt met de kennis van nu ook zeggen: uit die opleidingsjaren zijn een hele hoop fantastische prestaties voortgekomen.”

Rabobank stopte in 2016 met de opleidingsploeg. Jumbo-Visma pakte dit jaar de draad weer op. “Of ze op dezelfde voet verder moeten? Nee, ze hoeven niet alleen voor ronderenners te gaan. Ze kunnen nu ook de beste sprinters en de beste klassiekerrenners opleiden.”

Bron: NOS

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

twee × 4 =